“Het RIVM heeft een grote rol in het rijksvaccinatieprogramma, maar zeker niet de belangrijkste rol. Die hebben de ouders en jeugdgezondheidszorg professionals,” vindt Van Vliet.

Het is European Immunization Week. Elke dag spreken we een professional die in zijn of haar werk te maken heeft met het thema vaccineren. Vandaag spreken we Hans van Vliet, Rijksvaccinatieprogramma-manager bij het RIVM, over de rol van het RIVM en wat hem opvalt.

“Het RIVM heeft een grote rol in het rijksvaccinatieprogramma, maar zeker niet de belangrijkste rol. Die hebben de ouders en jeugdgezondheidszorg professionals,” vindt van Vliet. “Wij doen veel onderzoek voordat het besluit door de gezondheidsraad en minister wordt genomen om een bepaald vaccin op te nemen in het rijkvaccinatieprogramma. En vervolgens zorgen wij ervoor dat het ook daadwerkelijk in het rijksvaccinatieprogramma wordt ingevoerd. Wij kopen de vaccins bijvoorbeeld in en sturen ouders de uitnodiging met alle informatie over de te halen vaccinaties voor hun kind. We hebben een grote database waarin de geboortes staan. Alle prikken die gezet worden, registreren we daar in. Zo berekenen we ook de vaccinatiegraad.”

Van Vliet is nu drie jaar Rijksvaccinatieprogramma-manager. Wat hem vooral opvalt, is dat het voor zijn voorganger nagenoeg onmogelijk was om het thema vaccineren op de politieke agenda te krijgen. Dat is vandaag onvoorstelbaar. Maar waar de politiek inmiddels volop debatteert over ‘vaccineren’, zou de jeugdgezondheidszorg wat hem betreft hier ook meer ruimte voor mogen krijgen. “Vaccineren is niet alleen een prik zetten. Het is een medische handeling. Daar hoort een goed gesprek bij, net als bij alle andere medische handelingen. De jeugdgezondheidszorg zou hierin meer gefaciliteerd moeten worden met geld en middelen.” Hij ziet ook een rol voor scholen. Momenteel werkt het Nederlands Instituut voor Biologie in opdracht van het RIVM bijvoorbeeld aan een lespakket waarin vaccineren is opgenomen. “De gedachte hierachter is dat je de bevolking voedt met kennis, zodat de discussie rondom dit thema niet spaak loopt op onjuistheden en onwetendheid.“